Generatiedenken? Ja/ Nee?

Afbeeldingsresultaat voor Generations cartoon

Generatiedenken is breed geaccepteerd. In de media lezen we regelmatig over verschillen tussen generaties. De babyboomers (geboortejaren 1940 – 1955) zijn materialistisch ingesteld. De generatie X (1955 – 1970) is vol van cynisme. Millennials (1985 – 2000) lijden massaal aan burnouts. Toch?

In 1928 schreef socioloog Karl Mannheim  het essay ‘Das Problem der Generationen’, waarin hij de theorie opwerpt dat groepen mensen beïnvloed worden door gedeelde sociale en historische omstandigheden. Die zouden hun persoonlijkheid vormen en zo zouden ze zich van andere generaties onderscheiden.

‘We labelen mensen graag’, gewoon omdat het de werkelijkheid hanteerbaar maakt en in overzichtelijke categorieën opdeelt.’

(Van den Broek)

Consultancybedrijven en marketingbureaus verdienen goed geld met deze ideeën. ‘Gelukkig bieden steeds meer onderzoekers weerwoord’, zegt Wouter Vandenabeele, universitair hoofddocent human resources management aan de Universiteit Utrecht. Generatiedenken is ‘grote onzin’, vindt hij. ‘Ik ben van 1978. Mijn broer is van 1982. Ik ben dus van de generatie X, mijn broer zou een millenial zijn. Maar zo veel verschillen we niet van elkaar.’  Vandenabeele kan zich best voorstellen dat een impactvolle gebeurtenis, zoals een oorlog, iemand vormt. ‘Maar de hardware van mensen verandert heus niet zo snel, als we praten over evolutie.’

Bovendien ligt er discutabel onderzoek ten grondslag aan het idee, zegt hij. Een van de problemen is dat niemand het eens is over de begin- en eindjaren van generaties. ‘De scheidslijnen zijn arbitrair.’ In het ene onderzoek begint de millennialgeneratie in 1980, in het andere onderzoek in 1985. Die vijf jaren lijken niet zo belangrijk, maar wie harde conclusies trekt op basis van statistisch onderzoek, moet de juiste cijfers hebben.

Gerelateerde afbeelding

Andries van den Broek promoveerde in 1996 op een proefschrift over de verraderlijke charme van het begrip generatie als sociale categorie. Karakter en opleidingsniveau zijn bepalender dan de tijd waarin iemand opgroeit, zegt Van den Broek. Ook bekritiseert hij de harde knip die gemaakt wordt tussen generaties. Maar bovenal waarschuwt hij voor onderzoek dat gebaseerd is op één tijdmeting.

Het is belangrijk om de ‘drie gezichten van de tijd’ te onderscheiden, legt Van den Broek uit. In veel generatieonderzoek worden geboortejaar, levensfase en de historische periode door elkaar gehaald. “Onderzoek dat op basis van eenmalige observaties conclusies over generaties trekt, klopt niet”, zegt hij. ‘Dat soort onderzoek kan allemaal in de prullenbak. Je hebt tijdreeksen nodig.’

Costanza heeft een zogeheten meta-analyse gedaan naar generatieonderzoek. Hij bracht twintig onderzoeken naar generatieverschillen op de werkvloer bij elkaar, om een preciezere uitspraak te kunnen doen over de uitkomsten. Zijn conclusie: de verschillen zijn óf heel erg klein óf niet aanwezig. Het lijkt erop dat de manier waarop mensen naar werk kijken niet door hun ‘generatieschap’ wordt bepaald, maar door andere zaken, zoals scholing, karakter of cultuur.

Vragen om als ouders, jongerenwerkers en docenten te bespreken:

  • Herken je de feedback op het generatiedenken van de bovenstaande wetenschappers?
  • Welk licht werpt bovenstaande artikel op het begrip ‘generatiekloof’? 
  • Het lijkt erop dat de manier waarop mensen naar werk kijken niet door ‘generatieschap wordt bepaald.’ Bij welke thema’s merk jij wel degelijk dat er sprake is van verschillen in generatie (denken)?

Bron: Trouw.nl

Share

Geef een reactie